Iedereen heeft recht op waardig afscheid

29-10-2018
-
Nieuws uit het parlement

Rond 1 november herdenken we traditioneel onze overleden vrienden en familie: mensen brengen een bezoek aan begraafplaatsen, leggen bloemen, enz. De voorbije jaren voltrok zich een grote maatschappelijke evolutie met betrekking tot dit thema. Mensen stapten af van de traditionele manieren van afscheid nemen, en kozen steeds vaker voor een meer persoonlijke toets. Vlaams volksvertegenwoordiger Katrien Schryvers nam daarom al verschillende initiatieven die daarop inspelen. Het werk is nog niet gedaan, de maatschappij en de technieken blijven evolueren. Er is nog heel wat regelgeving die om modernisering vraagt. Zij heeft aan de vooravond van Allerheiligen een nieuwe conceptnota klaar over begraafplaatsen en lijkbezorging.

 

De huidige regelgeving omtrent begraafplaatsen en lijkbezorging dateert van januari 2004. In tussentijd werden al heel wat bepalingen gewijzigd, vaak (mee) op initiatief van Vlaams volksvertegenwoordiger Katrien Schryvers. Zo werd het mogelijk om in een laatste wilsbeschikking ook op te nemen in welke gemeente men een laatste rustplaats wenst te krijgen. Ouders kregen het recht om een levenloos geboren kindje te laten begraven of cremeren, ook als de zwangerschap minder dan twaalf weken duurde, waardoor de sterretjesweiden meer ingang kregen. En recent werd het mogelijk voor gemeenten om zones af te bakenen andere dan de begraafplaats waar as van overledenen kan worden uitgestrooid of waar biologisch afbreekbare asurnes kunnen worden begraven. Zo worden natuurbegraafplaatsen en herdenkingsbossen mogelijk gemaakt.

 

Die wijzigingen vloeiden grotendeels voort uit een conceptnota van Katrien Schryvers uit 2013 over het thema. De maatschappij evolueert evenwel bijzonder snel. Vanuit de sector blijven er signalen komen dat de bestaande regelgeving op een aantal limieten botst en niet langer aan de verwachtingen van de mensen voldoet. Daarom nam zij het decreet van 2004 onder de loep en schuift nu een aantal zaken naar voor waar een actualisering aan de orde is.

 

Begraven van mensen in armoede

 

Zo bestaan er grote verschillen in hoe gemeenten voorzien in de lijkbezorging van mensen die daar zelf de middelen niet voor hebben. Dat kan gaan van het enkel voorzien in een kist en de begraving ervan, tot de organisatie van een dienst en het drukken van rouwbrieven en/of prentjes. Er zijn hierover in de regelgeving immers geen modaliteiten opgenomen. De VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) heeft wel een draaiboek dat gemeenten kunnen volgen om een OCMW-begrafenis te regelen, maar het is niet duidelijk hoeveel en welke gemeenten dat daadwerkelijk volgen. Schryvers vindt dan ook dat, met het oog op respect voor de overledene, een minimale dienstverlening decretaal moet worden vastgelegd. Het gaat tenslotte toch over 800 à 900 begravingen die jaarlijks ten laste vallen van de lokale overheid. Dat bleek uit een bevraging die Katrien deed in 2013. In de stad Antwerpen alleen al worden jaarlijks 400 à 500 mensen begraven met steun van het OCMW.

 

Daarenboven is er nood aan een betere omschrijving van het begrip ‘behoeftige’. Nu gebeurt het dat een lokaal bestuur de tussenkomst in de begrafeniskosten weigert, omdat bijv. onderhoudsplichtige familieleden toch financiële middelen op een bankrekening hebben staan. Dergelijke onduidelijkheid kan ertoe leiden dat begrafenisondernemers die reeds kosten maakten voor de uitvaartverzorging  plots niet meer de zekerheid hebben dat ze ooit betaald zullen worden voor de door hen geleverde diensten. Zowel familieleden als gemeentebesturen moeten weten waar ze aan toe zijn.

 

Schryvers kaart in haar nota ook de tegenstrijdigheid aan tussen de Vlaamse en de federale regelgeving over welk openbaar bestuur de kosten zou moeten dragen wanneer de overledene onvoldoende middelen heeft en was opgenomen in een instelling, bijv. een woonzorgcentrum. De federale OCMW-wetgeving zegt dat de gemeente waar de behoeftige laatst heeft gewoond voor hij werd opgenomen in een zorginstelling, moet instaan voor de steunverlening aan deze behoeftige. De Vlaamse decreetgeving zegt dat de begrafeniskosten voor een overleden behoeftige ten laste vallen van de gemeente waar de betrokkene op het tijdstip van overlijden was ingeschreven. Deze twee bepalingen botsen. Zij pleit voor een betere afstemming tussen beiden.

 

In de regelgeving is overigens enkel een bepaling opgenomen voor wat betreft de begraving van behoeftigen. Het gebeurt echter dat iemand die niet behoeftig is  geen nabestaanden heeft of dat de nabestaanden niet bekend zijn of geen beslissingen nemen. Daardoor kan er geen initiatief genomen worden voor de lijkbezorging. Er zijn gevallen bekend van overledenen die gedurende meerdere weken niet werden begraven, omdat niemand het initiatief tot begraving nam. Schryvers vindt het daarom aangewezen decretaal vast te leggen dat, wanneer er geen initiatief is genomen voor lijkbezorging binnen een bepaalde termijn, de lokale overheid hiermee belast wordt. Behoudens uiteraard gerechtelijke beslissingen die dit in de weg staan.

 

De menselijke waardigheid stopt niet bij het overlijden. Een begrafenis of crematie ligt in het verlengde van de steun die iemand tijdens zijn leven kreeg. Het is dan ook niet wenselijk dat op een moment van overlijden onduidelijkheden of tegenstrijdigheden die laatste steun in het gedrang brengen. Vandaar mijn vraag om dit helder te omschrijven.

 

De conceptnota van Schryvers zal besproken worden in de commissie Binnenland van het Vlaams Parlement.