Kraamzorg mag geen kopzorgen baren

18-07-2016
-
Nieuws over zorg

In een voorstel van resolutie vraagt de meerderheid aan de Vlaamse regering om werk te maken van een uitbouw van de postnatale zorg thuis.

 

In 1960 verbleven moeders na hun bevalling gemiddeld 10 dagen in de kraamkliniek, in 2014 nog maar 4 dagen. Een verkort verblijf in de kraamkliniek hoeft op zich geen problemen te geven. Op voorwaarde dat de postnatale zorg thuis verzekerd is.

In 2015 kondigde federaal minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Maggie De Block aan het verblijf - of beter gezegd de financiering ervan - in de kraamkliniek na een normale bevalling te verminderen tot max. 4,1 dagen.

 

Vele materniteiten anticipeerden op de aangekondigde maatregel door moeders en baby’s reeds drie dagen naar huis te sturen. De thuissituatie bleek hier niet overal klaar voor. Zo is het aanbod aan kraamzorg erg versnipperd en sterk verschillend per regio. De samenwerking tussen het ziekenhuis en de vroedvrouw thuis loopt ook niet overal van een leien dakje. Ook blijken vele ouders niet of te laat op de hoogte van de mogelijkheden van thuiskraamzorg.

 

Nochtans hoeft het helemaal niet zo te lopen. Het Belgische Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) deed reeds in 2014 concrete aanbevelingen voor de reorganisatie van kraamzorg in België, gebaseerd op ervaringen in onze buurlanden, een literatuurstudie en gesprekken met ouders en zorgverleners. Het KCE stelt voor om de kraamzorg in te bedden in een multidisciplinair zorgtraject met de ambulante vroedvrouw in een centrale rol.

Eind februari 2016 gingen, in uitvoering van het rapport van het KCE,  zeven door Maggie De Block geselecteerde proefprojecten ‘verkorte ligduur’ van start. Over een periode van twee jaar zullen vooral de praktische invoering van de versnelde overgang naar de thuisomgeving en de financiële modaliteiten van de multidisciplinaire samenwerking uitgetest worden.

 

Een Vlaamse resolutie kraamzorg

In hun voorstel van resolutie vragen de meerderheidspartijen aan de Vlaamse regering om, in afwachting van de resultaten van de proefprojecten, alvast dringend werk te maken van een aantal reeds gekende knelpunten waar de Vlaamse regering zelf iets aan kan doen.

 

De ambulante vroedvrouw krijgt  een centrale en coördinerende rol in de thuiskraamzorg. De continuïteit en de permanentie van hun medische zorg thuis moet verzekerd worden, en dit 7 dagen op 7 en 24u op 24. Dit vereist niet alleen een degelijke ondersteuning en correcte financiering van de vroedvrouwen maar ook van de vroedvrouwenkringen, naar analogie met de huisartsen. De bevoegdheid voor de kringen ligt sinds 2014 bij Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen.

 

Ook de vorming van de kraamverzorgenden die werken bij de diensten gezinszorg, moet worden versterkt. Deze gespecialiseerde verzorgenden krijgen een specifieke opleiding om thuis de niet-medische zorg en ondersteuning te verlenen aan moeder en kind. Ze moeten tijdig alarmtekens herkennen en aan de vroedvrouw of huisarts signaleren.

 

Ook is het noodzaakelijk om de samenwerking tussen de gynaecoloog, kinderarts, huisarts en de vroedvrouwen te versterken en te ondersteunen. Wanneer moeder en baby vroeger naar huis mogen, gaat de vroedvrouw in de thuissituatie een grotere rol opnemen. Dit vergt nieuwe afspraken over samenwerking en opvolging tussen al de betrokken zorgverleners. Zeker als er iets dreigt mis te lopen, kunnen sluitende afspraken letterlijk van levensbelang zijn voor moeder en kind.