Ouderenzorg moet evolueren naar financiering op basis van zorgzwaarte

11-08-2017
-
Nieuws over zorg

Net als voor personen met een handicap, zoekt de Vlaamse regering naar een manier om de ouderenzorg persoonsvolgend te financieren. Vlaams volksvertegenwoordigers Griet Coppé en Katrien Schryvers juichen die piste toe. Ze pleiten ervoor om objectieve zorgzwaarte als centraal toewijzingscriterium te hanteren, onafhankelijk van de zorgvorm. Ze beseffen evenwel dat deze omslag niet budgetneutraal kan worden gerealiseerd. In een conceptnota vragen zij daarom de decretale verankering van een groeipad. "Tegen 2030 zet de vergrijzing een versnelling in. De huidige ouderenzorgfinanciering is daarop niet voorzien. Vlaanderen is pas sinds de 6de staatshervorming bevoegd om die uitdaging aan te gaan. Tegen dan moet een nieuw zorgzwaartegestuurd financieringsmodel op kruissnelheid zijn”, stellen Coppé en Schryvers.

Het bewonerspubliek van woonzorgcentra is de laatste jaren sterk veranderd. Waar vroeger nog relatief veel zelfredzame mensen in het woonzorgcentrum woonden, zijn steeds meer bewoners zwaar zorgafhankelijk. Deze verschuiving is een gevolg van de vermaatschappelijking van de zorg: mensen kiezen ervoor om langer thuis te wonen. Het beleid speelt hierop in door in te zetten op thuis- en gezinszorg, dagverzorgingscentra en centra voor kortverblijf. Maar daarbovenop kampen alle zorgvormen met een stijging in zorgzwaarte als gevolg van de toenemende vergrijzing in het algemeen en de verzilvering in het bijzonder.

Door de stijgende zorgnood raakt het financieringsmodel van de ouderenzorg meer en meer achterhaald. Minister Vandeurzen werkt aan een profiel voor ‘het woonzorgcentrum van morgen’, waarbij ouderenzorg evolueert naar persoonsvolgende financiering. Maar om dat werkbaar uit te rollen moet eerst de achterhaalde financiering grondig worden aangepakt.

Een voorbeeld van die onaangepaste financiering binnen de ouderenzorg, is het verschil in ROB- (rustoord voor bejaarden) en RVT-statuut (rust- en verzorgingstehuis). Dat financieringsmodel dateert van voor de 6de staatshervorming en is al jarenlang gangbaar. “Van oudsher bestaan er in woonzorgcentra twee soorten woongelegenheden voor bewoners met een zware zorgnood. Als bewoner ben je RVT- of ROB-gerechtigd. Tegenover een RVT-statuut staan meer middelen en personeel dan tegenover een ‘gewoon’ ROB-statuut. Voor twee bewoners met hetzelfde zorgprofiel krijgt het woonzorgcentrum op vandaag een verschillende publieke financiering. Het verschil in voltijdse equivalenten per 30 bewoners met een B-profiel is groot: 6,45 VTE in ROB en 11,3 VTE in RVT”, duidt Griet Coppé. “Het historisch gegroeide onderscheid tussen ROB en RVT-bedden past echter niet meer in de nieuwe visie op ouderenzorg. Een grotere zorgafhankelijkheid moet leiden tot meer financiële middelen, ongeacht het etiket dat op een erkenning wordt gekleefd. In onze nota vraag ik de regering dan ook om werk te maken van zorgzwaarte-gebonden financiering. Deze keuze heeft natuurlijk budgettaire gevolgen. De geplande hervorming richting persoonsvolgende financiering moet daarom onderbouwd worden met een sluitend budgettair masterplan.”

In de praktijk merkt de bewoner van een woonzorgcentrum vandaag niet altijd het verschil in het statuut van het bed waarin hij per toeval terecht komt (ROB/RVT). Dat komt omdat veel initiatiefnemers, zoals OCMW’s en vzw’s, zogenaamd ‘bovennormpersoneel’ inzetten. Ze financieren dit bijkomend personeel uit eigen middelen, of solidariseren de kostprijs via de dagprijs over alle bewoners. De bewoner merkt het verschil wel in bijvoorbeeld de aanrekening van kinesitherapie: de verstrekte kinesitherapie in een RVT-bed zit vervat in het instellingsforfait van het woonzorgcentrum. Dit is niet het geval voor kinesitherapie in een ROB die gefinancierd wordt per prestatie, op basis van de RIZIV-nomenclatuur.
Een ander voorbeeld waarbij de gebruiker de achterhaalde financiering rechtstreeks voelt, is in het dagverzorgingscentrum. Per centrum kunnen slechts een beperkt aantal personen rekenen op het F-forfait, een bijkomende tegemoetkoming. Hoewel twee gebruikers even zorgafhankelijk zijn, kan het hebben van een F-forfait ertoe leiden dat iemands vervoerskosten wél terugbetaald worden, terwijl dit voor de niet F-forfaitgerechtigde niet het geval is.

“Deze voorbeelden tonen aan dat de huidige financiering niet langer houdbaar is, en onvoldoende op reële zorgzwaarte afgestemd. Minister Vandeurzen werkt in het kader van de Vlaamse Sociale Bescherming aan één inschalingsinstrument. De zorgzwaartemeting wordt de toegang tot zorg en ondersteuning, en is bepalend voor de financiering die eraan gekoppeld wordt. Eenzelfde zorgbehoefte, moet volgens ons leiden tot een gelijke publieke zorgfinanciering. In oude terminologie betekent dit dat tegenover elke RVT-gerechtigde bewoner, ook een RVT-financiering moet staan”, aldus Griet Coppé. “Correcte financiering in functie van de zorgzwaarte is niet enkel van belang voor de kwaliteit van de zorg. Dit voorstel draagt ook in belangrijke mate bij aan de tevredenheid en aan ‘werkbaar werk’ voor het zorgpersoneel.”

Haar collega Katrien Schryvers vult aan: “Onder minister Vandeurzen wordt volop geïnvesteerd om het zorgaanbod zowel thuis, semi-residentieel als residentieel op te trekken. In de periode 2015-2019 komen er niet minder dan 9.802 woongelegenheden bij: een nooit geziene groei van het aanbod. In 2016 en 2017 is telkens 11 miljoen extra voorzien voor toenemende zorgzwaarte in woonzorgcentra (reconversie ROB naar RVT). De zesde staatshervorming biedt de uitgelezen kans om nu ook werk te maken van een nieuw financieringssysteem, afgestemd op de zorgzwaarte. Met de voorliggende demografische prognoses en de bijhorende evolutie van de zorgzwaarte is een groeipad onontbeerlijk.”

Een omschakeling naar een persoonsvolgende, en dus vraaggestuurde, zorgfinanciering is echter niet realiseerbaar onder de huidige gesloten enveloppefinanciering. Persoonsvolgende financiering in de thuis- en ouderenzorg kan bijgevolg pas starten eens de inhaalbeweging op vlak van zorgzwaarte voltooid is. Concreet vragen de parlementsleden dat het Vlaams Parlement ervoor zorgt dat de evolutie van zorgzwaarte naar de toekomst toe mee bepalend wordt voor de beschikbare budgetten in de thuis- en ouderenzorg. Bovendien vragen ze dat de regering hierover jaarlijks verslag uitbrengt in het Vlaams Parlement. Deze werkwijze is niet nieuw: in 2009 vroeg het Vlaams Parlement een meerjarenplan voor de sector van personen met een handicap. Het PVF-decreet van 2014 voorzag in deze verplichting. De parlementsleden verwijzen daarnaast naar de werking van de federale vergrijzingscommissie, dat jaarlijkse rapporten publiceert.